WK lobby & de last van morrende burgers en politici

Posted on 7 oktober 2010

2


Nadat RTL Nieuws half juli het HollandBelgium Bidbook en de bijbehorende garanties aan FIFA in de openbaarheid bracht, ontstond een golf van negatieve publiciteit rondom de poging het WK voetbal in 2018 naar de Lage Landen te halen. De ophef betrof in eerste plaats de (vermeende) eisen van de FIFA voor belastingvrijstelling en aparte rijbanen voor haar officials. Daarnaast verweten Belgische en Nederlandse Kamerleden hun Kabinetten èn de HollandBelgiumBid-organisatie (The Bid) gebrek aan transparantie. Een deel van het grote publiek –vertegenwoordigd door vele columnisten, bloggers en twitteraars- raakte verbolgen door officials die de kritiek afdeden als “geroddel en onzin” en critici uitmaakten voor “zure calvinisten”. En als laatste sceptici in de rij hebben nu ook de gemeenteraden van de kandidaat-speelsteden zich gemeld. Zij eisen van het Rijk harde financiële garanties voor de kosten die de vereiste nieuwe, of verbeterde, stadions en infrastructuur met zich mee zullen brengen.

 door Frank van Eekeren en Femke van Esch

Alle publieke ophef en kritiek doet het beeld ontstaan dat The Bid haar werk niet goed heeft gedaan- met alle negatieve gevolgen van dien voor de kansen van een succesvolle bid. Journalist Johan Derksen noemde de PR rondom het WK 2018 “een wanhopige strijd tegen de toenemende weerstand bij de politiek en het publiek”. En Dagblad Trouw stelde in een hoofdredactioneel commentaar: “Voor het laten slagen van dit evenement is draagvlak onder de bevolking nodig.” De vraag is echter of The Bid steken heeft laten vallen, en of de negatieve publieke opinie de kans op het binnenhalen van het WK daadwerkelijk verkleint.

Elite

Om deze vraag te beantwoorden is het noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de twee deeltaken die The Bid redelijkerwijs toegedicht kunnen worden: 1) het lobbyen voor het kandidaatschap van de lage landen en 2) het managen van het publieke imago van, en draagvlak voor, de bieding op het WK.

Bij ieder lobbytraject ligt de focus op het beïnvloeden van besluiten en besluitvormingsprocessen en dus is de aandacht in eerste instantie gericht op de centrale besluitvormers. Een lobby is in die zin communicatie gericht op de elite. Een eenvoudige analyse van het besluitvormingsproces leert dat de bevoegdheid voor het toekennen van het WK in de eerste fase – de periode tot aan het besluit van de FiFA op 2 december – in de handen ligt van 24 FIFA executives. Hun keuze zal mede afhangen van steun vanuit de zakelijke, sportieve en politieke elite in Nederland en België.

In het verwerven van draagvlak onder deze groep is de The Bid zeer goed geslaagd. Het Nederlandse en Belgische bedrijfsleven is enthousiast. Sportambassadeurs als Gullit, Cruijff, Hiddink, Van den Hoogenband en Henin zetten hun beste beentje voor. En beide Kabinetten ondersteunden – met goedkeuring van de nationale parlementen – de kandidaatstelling en hebben zich bereid getoond, langs de randen van de wetgeving, in te stemmen met de garanties die FIFA vraagt.

Breed draagvlak onder de bevolking was in deze fase van het besluitvormingsproces misschien mooi mee genomen, maar niet noodzakelijk. Het betreft hier immers private partijen en een bieding voor een internationaal privaat evenement. De belangrijkste besluitvormers en beïnvloeders in dit proces (FIFA, commerciële en sportelite) zijn voor hun functioneren niet afhankelijk van publieke steun en kunnen door burgers niet afgerekend worden op hun beslissingen.

Draagvlak

Draagvlak, of het ontbreken daarvan, kan wèl een cruciale factor worden in de tweede fase van het besluitvormingstraject indien gekozen politici, zoals een parlement of gemeenteraad, in moeten stemmen met nieuwe regelgeving of aangepaste begrotingen. Om electorale redenen zijn politici over het algemeen gevoeliger voor de stemming onder burgers, en zij zouden – bij veel weerstand in de samenleving – een cruciaal besluit tegen kunnen houden.

In het geval van The Bid zijn er in deze tweede fase– naar het zich nu laat aanzien – nog twee momenten waarop nationale en gemeentelijke volksvertegenwoordigers de organisatie van het WK 2018 door de Lage Landen kunnen dwarsbomen.

Parlement

Ten eerste zal het Nederlandse parlement wellicht de gelegenheid krijgen terug te komen op haar instemming met The Bid. In een reactie op Kamervragen heeft minister Klink, ondanks eerdere ontkenningen, onlangs laten weten dat er toch een mogelijkheid bestaat dat Nederlandse wet- en regelgeving aangepast moet worden om aan de toegezegde garanties aan de FIFA te voldoen. Echter, de invloed van het parlement is – na haar algemene toezegging van 20 april – beperkt tot de garanties die niet overeenstemmen met de nationale wetgeving. Toezeggingen die wèl overeenstemmen met de huidige regelgeving, zoals de bescherming van de commerciële belangen van de FIFA en haar partners, vallen daar niet onder.

Daarnaast zullen de aanpassingen aan nationale wetgeving waar de Kamer wél iets over te zeggen heeft pas na het FIFA-besluit van 2 december op de agenda van de Kamer komen. Hiermee wordt de speelruimte van parlementariërs wel heel klein: Het WK eerst toegewezen krijgen en vervolgens weer moeten teruggeven zal leiden tot gigantisch internationaal gezichtsverlies. Dat zullen weinig parlementariërs op hun geweten willen hebben.

Ook over de meest beladen en de meest besproken toezegging aan de FIFA, de BTW-vrijstelling op diensten en goederen, heeft de Tweede Kamer geen zeggenschap. De EU-richtlijnen betreffende BTW zijn heel helder: vrijstelling ervan is niet toegestaan. Daarom is door de Nederlandse en Belgische overheid in haar steunverklaring voor The Bid een ontsnappingsclausule opgenomen die stelt dat Nederland en België de BTW wel zullen innen, maar vervolgens terug zullen sluizen naar de FIFA. Experts zijn het er echter over eens dat ook dit in tegenspraak is met de Europese regels. Het kwijtschelden van BTW kan namelijk gezien worden als een subsidie of staatsteun en is dus in strijd met de Europese mededingingsregels. Besluitvorming over de BTW- toezeggingen aan de FIFA is uiteindelijk dus een zaak van de Europese Commissie (of in laatste instantie het Europese Hof) en niet van het Nederlandse of Belgische parlement.

Gemeenteraden

Rest nog de invloed van gemeenteraden in de kandidaat-speelsteden, die The Bid onder druk van de publieke opinie nog een pootje zouden kunnen lichten. Want voor veel andere, praktische, eisen van de FIFA, zoals het bouwen van stadions en het verbeteren van infrastructuur, zijn partnerschappen nodig met private partners en lokale overheden. De kosten voor deze investeringen worden nu geraamd op 500 miljoen. De speelsteden vrezen dat een groot deel van deze rekening, de zogenaamde onrendabele top, op hun bordje zal komen te liggen.

Als gemeenteraden, die allemaal voor gigantische bezuinigingsoperaties staan, dwars gaan liggen kan alsnog niet voldaan worden aan de eisen van de FIFA. Dat lijkt een reële dreiging voor The Bid, maar ook hier zal de soep niet zo heet gegeten worden. Alle speelsteden tekenden een Host City Agreement, waarin is afgesproken met minister Klink om “in overleg te treden om tot een voor beide partijen acceptabele oplossing van genoemd financieringsvraagstuk te komen”.

En omdat ook dit overleg pas ná toewijzing van het WK zal plaatsvinden, geldt ook hier dat de keuzevrijheid voor de volkvertegenwoordigers zeer beperkt is. De druk op de raadsleden in steden als Amsterdam en Rotterdam (beide ook in de race voor de Olympische Spelen in 2028) en Eindhoven (dat al 1 miljoen investeerde in The Bid-organisatie) om toch toe te stemmen zal groot zijn.

Kortom, vanuit haar lobby functie lijkt The Bid in de eerste fase van de besluitvorming logisch, en mogelijk zelfs heel succesvol, te opereren. Een breed draagvlak onder de bevolking en politici was vanuit lobbyperspectief niet noodzakelijk. FIFA’s reactie op de onrust in Nederland en België, na het visitatiebezoek in augustus, was wat dat betreft veelzeggend: “Dit soort weerstand horen we overal.”

Tweede fase: Lobby èn communicatie

De situatie verandert zodra de Lage Landen daadwerkelijk het WK 2018 krijgen toegewezen. Dan is het zaak dat The Bid haar strategie aanpast aan het nieuwe krachtenveld dat dan ontstaat. In deze tweede fase zullen de pijlen gericht moeten zijn op de Europese Commissie, in verband met de BTW-vrijstelling. Tevens zal The Bid zich moeten mengen in de discussie of aanpassingen van de Nederlandse (en Belgische) wetgeving nodig is –dat is niet altijd een uitgemaakte zaak. Als die aanpassingen inderdaad nodig blijken te zijn, dan zal The Bid zich moeten richten op het verkrijgen van een meerderheid in de Tweede Kamer. Datzelfde geldt richting de gemeenteraden in de speelsteden, zodra zij gaan debatteren over lokale investeringen.

Vanwege haar invloed op de volksvertegenwoordiging zal het belang van de publieke opinie in fase 2 fors toenemen. The Bid zal moeten leren van de publieke reacties op haar optreden tot nu toe. Want op het managen van het publieke imago, die andere taak van The Bid, is wel het nodig aan te merken. De kritische vragen vanuit de pers, de verbaasde parlements- en raadsleden en boze burgers lijken door The Bid niet voorzien. Toen deze zomer de mediastorm het hevigst was bleken de meeste medewerkers van The Bid gewoon op vakantie. En de publieke, vaak korzelige, reacties van Harry Been, Henk Kesler en Ruud Gullit op de kritiek gaven geen blijk van een goed overdachte communicatiestrategie.

The Bid zal zich inmiddels realiseren dat brede steun onder de bevolking niet vanzelfsprekend is en zal, in het geval er daadwerkelijk een tweede fase komt, uit strategisch oogpunt veel beter moeten gaan uitleggen wat de meerwaarde van een WK in België en Nederland is.

Daarnaast getuigt het van respect en realiteitszin als The Bid de (negatieve) gevoelens onder de bevolking serieus neemt. Een evenement dat mede afhankelijk is van belastinggeld en straks graag gebruik maakt van vele vrijwilligers heeft ook als taak haar publieke communicatie goed te verzorgen.

Dit artikel verscheen ook in Sport & Strategie, oktober 2010 

Frank van Eekeren en Femke van Esch zijn werkzaam bij het Departement voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht