Joden, Palestijnen en de ondraaglijke lichtheid van sport en politiek

Posted on 23 september 2011

0


Mijn najaarsdepressie is al begonnen. In de Israëlische zon nog wel. Daar, in het gebied waar zich volgens sommigen onder ons ‘de moeder aller conflicten’ afspeelt, werd ik vorige week hard geconfronteerd met de soms ondraaglijke lichtheid van sport én politiek.

Dezer dagen staan Israel en Palestina weer volop in de schijnwerpers. De Palestijnen dienen vandaag een aanvraag in voor een volledig lidmaatschap van de Verenigde Naties en zullen, naar verwachting, teleurgesteld worden. De Joodse Israëliërs houden hun hart vast, zeker nu de belangrijkste steunpilaren van de veiligheid van hun land -de vrede met Egypte, de stabiliteit van Syrië en de vriendschap met Turkije en Jordanië- afbrokkelen. New York Times-columnist Thomas Friedman verzuchtte deze week over de huidige situatie:  “Ik ben nog nooit zo bezorgd geweest over Israel.”

In deze context bezocht ik vorige week het internationale congres Sport as a Mediator between Cultures, iets ten noorden van Tel Aviv.  Academici, politici en practioners gingen met elkaar in debat over de betekenis van sport voor vredesopbouw in conflictgebieden. In zijn openingsrede sloeg de Britse hoogleraar Fred Coalter meteen de spijker op de kop door in dit verband de filosoof Antonio Gramsci te citeren: “There is the optimism of the will, and the pessimism of the intellect.”

Het optimisme was alom aanwezig. De United Nations special advisor on Sport for development and peace, Wilfried Lemke, hield het simpel: “Sport leidt tot samenzijn, samenzijn leidt tot dialoog, dialoog leidt tot onderling begrip en onderling begrip leidt tot vrede.” Als we zijn redenering doortrekken dan is de wereldvrede dus een kwestie van meer ballen en veldjes, zeker wanneer we daarmee beginnen bij ‘de moeder aller conflicten.’

De lachende gezichten en emotionele verhalen van Joodse, Palestijnse en Christelijk-arabische kinderen die dankzij projecten als Football4Peace en Ultimate Frisbee nu de dikste vrienden zijn, maken dat je Lemke’s verhaal wilt geloven. Sterker, zonder dit ‘optimism of the will’ zou er geen enkel vredesinitiatief van de grond komen.

Maar toch. Kijkend naar de kinderen en door het gebruik van het intellect werd ik langzaam pessimistisch. Waren dit wel dezelfde kinderen als de jongetjes die nu in Palestijnse kampen worden klaargestoomd als zelfmoordterrorist? Zou samen frisbeeën iets helpen zolang de discriminerende maatregelen in Israel ten aanzien van Arabieren gewoon blijven bestaan? Sport biedt, zo leerde ik van sportwetenschapper Jay Coakley, ‘sites for social experiences, not causes for social outcomes’.

En stel dat mijn pessimisme onterecht is en sport écht leidt tot vrede tussen Joden en Palestijnen, zal deze vrede dan daadwerkelijk zorgen voor meer toenadering tussen het Westen en de Islamitische landen? Zal Amerika dan ineens vertrouwen hebben in Iran, hoeven de Joden dan niets meer te vrezen van agressieve buurlanden, zal Al Qaeda de strijdbijl begraven en Wilders zijn anti-Islam programma opgeven? Nee, zo realiseerde ik me, want het benoemen van het conflict tussen Israel en de Palestijnen als ‘de moeder aller conflicten’ is waarschijnlijk van een nog grotere simpelheid dan het geloven in sport als vredestichter.

Midden op een Israëlisch sportveld werd ik niet alleen overvallen door de ondraaglijke lichtheid van sport, maar ook door die van de politiek.