Een antropoloog in het Engelse voetbal

Posted on 5 november 2015

0


Hoe ik het geld destijds bij elkaar sprokkelde ben ik vergeten. Waarschijnlijk waren de ooms en tantes op mijn tiende verjaardagsfeestje gul geweest. Wat ik nog wel zeker weet is dat ik destijds niet twijfelde over de gewenste aankoop: dat grote groene boek met die prachtige voetbalfoto’s moest het worden. Het boek waar ik in de Bossche boekhandel Adr. Heijnen al zo vaak verlekkerd in had zitten bladeren – dát boek ging ik kopen. 

Dit artikel schreef  ik in het kader van de serie De Klassieker van Sport & Strategie, waarin sportwetenschappers schrijven over het (sport)wetenschappelijke boek dat in meer of mindere mate hun bijbel is geworden. Waaraan ze inzichten en overtuigingen ontlenen die ze elders niet vonden en die ze nu nog steeds met zich meedragen. Deze aflevering verscheen op 5 november 2015.

Uiteraard had ik er als tienjarig ventje geen benul van dat ‘Spel om de Bal’ van Desmond Morris in de jaren erna zou uitgroeien tot een van mijn Klassiekers. We zijn nu 33 jaar verder en nog altijd vind ik ‘Spel om de bal’ een heerlijk boek om in te bladeren. De liefde voor alles wat met voetbal te maken heeft druipt van de pagina’s. Foto’s van bomvolle Engelse staantribunes en afbeeldingen van bekers, logo’s en andere parafernalia uit de rijke geschiedenis van het voetbal kleuren het boek. Maar ‘Spel om de bal’ is veel meer dan mooie plaatjes. Het is in de loop der jaren voor mij een boek geworden dat laat zien dat wetenschappelijk onderzoek gevoel kan (of moet) hebben, dat andere ‘framing’ van een onderwerp tot nieuwe inzichten leidt en dat interdisciplinariteit waardevol is.

Gevoel

‘Spel om de bal’ is een boek met gevoel. Een erg Engels gevoel ook. Zodanig dat ik als kind boven het boek wegdroomde en mezelf op zo’n volle staantribune zag staan om ergens in het Verenigd Koninkrijk naar een ouderwetse pot ‘kick ’n rush’ te kijken. Dat het boek dit bij mij opriep vind ik bijzonder, vooral toen ik er later achter kwam dat Morris behalve Engelsman en voetballiefhebber ook wetenschapper is. ‘Spel om de bal’ is gebaseerd op wetenschappelijk opgezet onderzoek. Maar de presentatie is alles behalve droog, afstandelijk of gevoelloos – begrippen die ik inmiddels wel vaak associeer met wetenschappelijke publicaties: onderzoekers hebben in mijn ogen sterk de neiging saai te rapporteren om daarmee de suggestie te wekken dat hij/zij voldoende distantie tot het onderwerp heeft en er – dus – objectief over rapporteert.

Maar Morris is niet bang gevoel te tonen en ik ben in de loop der jaren beter gaan begrijpen waarom. Juist in onderzoek in de sportcontext, zo vind ik inmiddels als onderzoeker en consultant, spelen sfeer, gevoel en betrokkenheid een rol. Ten eerste omdat veel in de complexe sociale werkelijkheid van sportorganisaties doordrenkt is van sentiment (‘sport is emotie’) en zonder dat sentiment is het moeilijk die sociale werkelijkheid te begrijpen. Ten tweede ook omdat de onderzoeker, ikzelf incluis, vaak een liefhebber is en dus goed aan zijn lezer moet duidelijk maken of en hoe zijn of haar betrokkenheid bij het onderwerp het onderzoek beïnvloedt. Het wegpoetsen van deze betrokkenheid is niet integer en ook onnodig. Desmond Morris is openlijk voetballiefhebber en ook ‘insider’ (destijds is hij vice-voorzitter van Oxford United) en laat met ‘Spel om de bal’ zien dat dat een goede, inzichtrijke publicatie niet in de weg staat.

Framing

Dat doet hij vooral door wetenschap op een andere dan gebruikelijke manier te presenteren. Wat betreft uiterlijk, maar vooral ook wat betreft inhoud. Het gaat in zijn onderzoek naar voetbal (we praten over 1982!) nu eens niet over trainingsmethoden, financiën of marketing, maar over de voetbalcultuur. Morris (geboren in 1928) ziet voetbal als sensationele sociale gebeurtenis, eentje die hij omschrijft als een van de vreemdste patronen van menselijk gedrag in onze moderne samenleving. Als zoöloog en etholoog is hij gespecialiseerd in diergedrag. Morris verwondert zich over de mens als een merkwaardige diersoort waarvan een kwart op een en hetzelfde moment naar een WK-finale zit te kijken. Maar wat mij betreft is Morris ook een antropoloog.

Tijdens zijn onderzoek naar het spel om de bal kreeg hij al snel in de gaten ‘dat elk centrum van voetbalactiviteiten, elke voetbalclub, in elkaar zit als een kleine stam, compleet met stammenterritorium, stamoudsten, toverdokters, helden, stamvolgelingen en andere soorten stamleden’ (p.8). De oorspronkelijke titel van het boek is dan ook ‘The Soccer Tribe’. Morris ziet zichzelf als een ontdekkingsreiziger die doordringt in een verre en vreemde inheemse cultuur, waar hij – interessant genoeg – zelf deel van uit maakt. Dat levert prachtige beschrijvingen op over tradities, rituelen, mythen en jargon.

Door het onderwerp voetbal anders dan (destijds) gebruikelijk te ‘framen’ voegt Morris een perspectief toe dat letterlijk en figuurlijk tot een andere kijk op het spelletje leidt. Als onderzoeker en adviseur vind ik dat fascinerend. Behalve dromen van een plekje op een volle staantribune, heeft ‘Spel om de bal’ ook mede te weeg gebracht dat ik in mijn werk streef naar het aanreiken van nieuwe perspectieven. Daarmee heb ik niet de pretentie een ‘betere’ kijk te introduceren, maar ben ik er wel van overtuigd dat een nieuw of aanvullend perspectief kan leiden tot andere inzichten en oplossingen. Precies wat Morris met zijn boek voor elkaar krijgt.

Interdisciplinariteit

Wat Morris in ‘Spel om de bal’ vooral doet: hij observeert het menselijk leven. Die aanpak past hij ook toe in zijn andere boeken, zoals het beroemde ‘The Naked Ape’ (1967). Want hoewel opgeleid in een exacte tak van de wetenschappen is voor hem ‘meten is weten’ niet het overheersende adagium. Observeren is voor hem leren. Ik zal niet beweren dat mijn latere keuze voor organisatie-antropologie als afstudeerrichting of mijn voorkeur voor kwalitatief onderzoek direct voortkomen uit het lezen van dit boek als tienjarige, maar ergens lijk ik onbewust beïnvloed te zijn.

Tegelijkertijd maakt ‘Spel om de bal’ ook gebruik van statistieken en exacte analysemethoden, welke Morris in dit geval vooral gebruikt ter ondersteuning van het kwalitatieve verhaal, opgetekend vanuit het (destijds) nieuwe frame van de ‘voetbalstam’. Hij beperkt zich nadrukkelijk niet tot één discipline (hij noemt zichzelf ‘sociobioloog’) of één methodologie. Met Morris zie ik de waarde van interdisciplinariteit en mixed methoden als uiterst waardevol, maar ze zijn in het huidige academische landschap nog altijd geen usance. Al is op de Universiteit Utrecht bijvoorbeeld het focusgebied Sport & Society mede opgericht om de schotten tussen disciplines weg te halen en met verschillende methoden onderzoek te doen naar de maatschappelijke betekenis van sport.

Het mooie is dat Morris zijn lezers niet vermoeid met bovenstaande bespiegelingen. Hij is niet bang om de bevindingen uit zijn onderzoek toegankelijk op te schrijven en te presenteren. ‘Spel om de bal’ is daarom voor een breed publiek aantrekkelijk. Als 10-jarige las en zag ik andere dingen in het boek dan als 43-jarige, maar in beide gevallen las ik het boek met plezier. Dat is mijn ogen een knap staaltje ‘valorisatie’ en maakt dat ik nooit spijt heb gehad van mijn verjaardagsaankoop.