Zero tolerance

Posted on 20 maart 2018

0


Ik beken schuld: in mijn jonge jaren als voetballer deed ik actief mee aan matchfixing. Ook lachte ik een overduidelijk geval van fraude weg. Ik besef dat mijn gedrag van toen heden ten dage absoluut niet door de beugel kan.

Wat gebeurde er? In de A1 treffen mijn teamgenoten en ik een vriendelijke elftal dat op het punt van degraderen staat. De tegenstanders melden terloops dat zij nog wel wat consumptiebonnen over hebben. Wij kijken elkaar aan en besluiten dat we die dag best eens een pretopstelling kunnen uitproberen. Na afloop is het – samen met de tegenstander – nog lang gezellig in de kantine. Ik ben op dat moment zo naïef te denken dat het hier een onschuldige vriendendienst betreft. Maar nu weet ik: in het huidige tijdgewricht ben ik schuldig aan keiharde matchfixing.

Geval 2. Enige weken later spelen we een vriendschappelijke wedstrijd, ter afronding van een leuk seizoen. Onze trainer heeft een jolige bui, maar is het regelmatig oneens met de scheidsrechter, die volgens hem stevig bijziend is. Om zijn gelijk aan te tonen stelt hij in de tweede helft doodleuk 12 spelers op. Wij lachen ons rot om de verbouwereerde scheids die daar pas na een kwartier achter komt. Een geslaagde grap, vond ik toen. Maar met de kennis van nu moet ik toegeven medeplichtig te zijn geweest aan bewuste fraude.

Dit alles is schokkend, dat begrijp ik inmiddels. Toch vind ik het moeilijk spijt te betuigen. Lang heb ik mijn gedrag verdedigd door te stellen dat dit soort dingen nu eenmaal gebeurde in die tijd;  het hoorde erbij, het was deel van de voetbalcultuur. Maar met dit soort argumenten kun je in tijden van #metoo begrijpelijkerwijs niet meer aankomen. Dit is het tijdperk van zero tolerance: al het niet-integere gedrag dient zwaar te worden bestraft, ook in de sport.

Dat klinkt helder en stoer, maar is natuurlijk onzinnig. Want de grenzen tussen een ludieke actie en fraude zijn schimmig. Niet alleen toen, ook nu. Wat voor de een moet kunnen, is voor de ander absoluut niet oké. Is het sportveld bovendien niet bij uitstek een plek waar we fouten moeten kunnen maken, de grenzen mogen opzoeken en ‘een geintje’ moeten kunnen uithalen? Het sportveld is een plaats waar de ‘normale’ regelgeving soms niet van toepassing is. Van een klap in het café doen we aangifte, terwijl we een klap in de boksring ontvangen met gejuich.

Natuurlijk, de betamelijkheid moeten we niet overschrijden. Sommige zaken zijn onomstotelijk fout en niet integer en moeten we stevig aanpakken. Maar de grenzen tussen goed en fout zijn niet zo duidelijk en zo hard als het roepen om zero tolerance suggereert. Moet de vriendendienst die mijn teamgenoten en ik destijds in de A1 verleende in de huidige tijd meteen leiden tot een schorsing? Of kunnen we hierover met elkaar in gesprek gaan? Ik hoop op het laatste. En ik zeg dat niet uit eigen belang, want mijn vergrijpen zijn inmiddels verjaard.

Deze column verscheen in Sport & Strategie, maart 2018.

Posted in: Column, Opinie