Bingo! Hoe sport-for-development en internationale handel elkaar versterken

Posted on 13 september 2019

0


Het begon met een aantal stagiaires in de sloppenwijken van Kaapstad, een volleybalcoach in de heuvels van Rwanda en enkele voetbaltrainers op een knollenveld in Johannesburg. Deze Nederlandse pioniers stapten met een paar ballen onder de arm in het vliegtuig – in de overtuiging dat sport het leven van mensen in armoede een beetje aangenamer kan maken. Een kleine 25 jaar later is hun nalatenschap groot. Sport for development is inmiddels een erkende, geprofessionaliseerde sector, gericht op het bevorderen van gendergelijkheid, inclusie en educatie. Dat is leuk voor de pioniers, maar vooral waardevol voor de lokale bevolking en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor relatief weinig geld helpt de sector de doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid te behalen. Bovendien biedt sport for development minister Kaag een nieuwe buitenkans.

Voor wat betreft die buitenkans zit dat zo. De stagiaires, volleybalcoaches en voetbaltrainers hebben volop navolging gekregen. Organisaties als Right To Play, International Sports Alliance, KNVB en One Million Hockey Legs zijn actief in Afrika, Azië en het Caraïbisch gebied. De impact van hun sport for development programma’s is aanzienlijk, wat de minister helpt de Sustainable Development Goals (SDG’s) te bereiken. Een belangrijk bijeffect is dat Nederland er in veel landen goed op staat dankzij deze sympathieke programma’s.

In dat bijeffect zit de buitenkans voor Kaag. Als minister is zij namelijk niet alleen verantwoordelijk voor het behalen van de SDG’s, zij moet ook regelen dat Nederlandse bedrijven hun koopwaar internationaal kunnen slijten. Sport speelt in de handelsbevordering vooralsnog een bescheiden rol. Guus Hiddink reist wel eens mee met een handelsmissie naar Zuid-Korea en stadionbouwers vliegen snel naar een land dat een WK krijgt toegewezen. Maar op deze manier bouwt het bedrijfsleven niet de duurzame relaties en goodwill op die nodig zijn om voet aan de grond te krijgen in het buitenland. En laten de sport for development organisaties die duurzame relaties en goodwill nou wél hebben. Bingo!

Toch is de buitenkans niet zo maar benut. De budgetten voor ontwikkelingssamenwerking staan onder druk en de financiering van sport for development programma’s vanuit Buitenlandse Zaken zal de komende jaren niet toenemen, ondanks de ambities met de SGD’s en de kansen op handelsbevordering. De overheid verwacht het heil van de markt: bedrijven moeten gaan inzien dat investeringen in ontwikkelingsprogramma’s ook in hun eigen belang zijn. Het ideaalplaatje ziet er dan ongeveer zo uit: Philips investeert in sport en educatieprogramma’s in India, waardoor de maatschappelijke impact van het programma stijgt, net als de kansen op nieuwe orders voor het bedrijf.

Klinkt goed, maar het optimaal benutten van sport voor handel en ontwikkelingsprogramma’s vraagt om partnerschap in de vorm van publiek-private samenwerking. Diverse praktijkvoorbeelden en studies maken duidelijk dat dát niet bepaald eenvoudig is. Het vereist ook dat bedrijven, ministeries, sportorganisaties en ontwikkelingsorganisaties samen een agenda met prioriteiten en doelstellingen hebben. Ook dat is geen sinecure. Daarom is het goed dat diverse betrokkenen momenteel hard werken aan de oprichting van een centraal punt waar internationale sport, handel en ontwikkeling samenkomen. Als dit platform er komt én werkt is het echt bingo.

Deze column verscheen in Sport & Strategie, editie september 2019.