Schuldgevoel

Posted on 18 december 2019

0


Negentig procent van onze sporttrainers en -coaches is niet opgeleid voor die taak. Dat komt neer op 360.000 goedwillende, maar niet gekwalificeerde vrijwilligers. Tot voor kort behoorde ik ook tot deze groep en nu ineens voel ik me schuldig. Niet omdat ik 25 jaar lang ongediplomeerd op het veld heb gestaan, maar omdat ik na al die jaren gestopt ben als voetbaltrainer – vanwege nieuw werk.

Gek genoeg heb ik me nooit schuldig gevoeld vanwege het ontbreken van de juiste opleiding. Ik voelde me best capabel. Immers, ik heb jarenlang gevoetbald, besteedde úren aan voetbalpraat en via google ontdekte ik leuke oefenvormen. Ook waren de resultaten prima en voelde niemand zich geroepen om mijn plek in te nemen. Bovendien had ik helemaal geen tijd om, naast een drukke baan, trainingen op maandag en wedstrijden op zaterdag, ook nog eens op cursus te gaan. Kortom, ik hanteerde dezelfde argumenten als die overige 359.999 trainers om mijn papieren niet te halen.

Toch heb ik een schuldgevoel. Dat komt omdat mijn vereniging, zoals alle andere sportclubs, zo veel moet en dus niet meer op mij kan rekenen. Het is voor een club al lang niet meer voldoende om op tijd de netten in de doelen te hangen. Sla het Sportakkoord er maar op na: de vereniging moet bijdragen aan een gezonde samenleving, een positieve sportcultuur creëren en openstaan voor iedereen. Dit vraagt nogal wat van de clubs die bier en frikandellen als belangrijke inkomstenbron hebben, van oudsher gericht zijn op de sportprestaties van de hoogste teams en hun specifieke identiteit willen behouden. Het vraagt vooral ook om veel handjes. En mijn club moet het dus met een paar handen minder doen.

Gelukkig constateert het Sportakkoord ook dat het niet alleen om zo veel mogelijk vrijwilligers gaat. Bij een sterke, toekomstbestendige en maatschappelijk betrokken vereniging draait het ook om kwaliteit. De 359.999 overgebleven, niet-gekwalificeerde trainers moeten er dus aan geloven. Zij vormen een op het oog makkelijke bron van kwaliteitsverbetering. Het Ministerie van VWS investeert daarom in proeftuinen bij 56 verenigingen in 7 gemeenten, waar begeleiding van jeugdtrainers door buurtsportcoaches moet leiden tot meer sportplezier en minder uitstroom van jonge sporters.

Dat klinkt logisch, maar is toch minder simpel dan het lijkt. Want het gevoel bij trainers dat ze best capabel zijn, is niet ineens verdwenen. Net zo min als het tijdgebrek. Het zal heel wat vragen van buurtsportcoaches om deze vrijwilligers toch ontvankelijk te maken voor begeleiding. Ook zal niet iedere vereniging ineens welwillend staan ten opzichte van een andere aanpak. Dat betekent dat buurtsportcoaches zich ook nog eens goed moeten kunnen inleven in specifieke clubculturen.

Daarmee wacht niet alleen de buurtsportcoaches een mooie, maar ingewikkelde taak, dat geldt ook voor hun opleiders aan de MBO’s en HBO’s. Want de eerste vereiste voor succes is overduidelijk dat dat buurtsportcoaches zélf goed gekwalificeerd zijn voor hun werk. Tot mijn geluk kan ik daar –  vanwege het nieuwe werk – wel een steentje aan bijdragen. Dat vermindert in elk geval het schuldgevoel.

Deze column verscheen in het magazine Buurtsportcoaches, een uitgave van Vereniging Sport en Gemeenten (VSG)