Sportcarrière

Posted on 5 maart 2020

0


Uit de gekste berichten blijkt dat de maatschappelijke opmars van sport niet is te stuiten. Zo lees ik dat ‘sporter’ in de top 5 staat van meest geambieerde beroepen onder 15-jarige jongens. Wereldwijd. Deze pubers willen geen advocaat of onderwijzer worden, maar voetballer of hardloper. Onder Nederlandse jongens is sporter zelfs het op-een-na meest gewilde metier, na ICT-professional – al vermoed ik dat de jeugd dat vak verwart met het maken van geinige YouTube-filmpjes.

Aanvankelijk had ik mijn bedenkingen bij de resultaten van dit onderzoek, uitgevoerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD). Want welke 15-jarige weet nou wat hij wil worden? Voor de zekerheid vroeg ik het mijn bijna 15-jarige zoon, maar die keek me vanachter zijn Playstation glazig aan toen ik over zijn toekomst begon. Dat Nederlandse jongens, na enige dwang, stamelen dat ze de rest van hun leven het liefst op een sportveld staan of op YouTube zitten, kan ik me nog voorstellen. Zelf wilde ik op die leeftijd de nieuwe Marco van Basten of Mart Smeets worden. Maar dat ook jongeren in minder bedeelde gebieden op de wereld dit antwoord geven, verbaast me. Die kids kunnen toch aan kansberekening doen en concluderen dat de mogelijkheid op een welvarend leven aanzienlijk groter is wanneer zij inzetten op een baan als ingenieur of bankier?

Maar, nadat ik las dat voor dit onderzoek een half miljoen 15-jarigen uit 79 landen zijn ondervraagd, leek het me zinvoller om de resultaten serieus te nemen. Wat betekent het dat zo veel jongens op de wereld dromen van een loopbaan als sporter? Allereerst dus dat het maatschappelijke belang van sport alleen maar toeneemt. De jeugd heeft vertrouwen in de sector en daarmee heeft de sector de toekomst. Dat biedt veel kansen, maar legt tegelijkertijd een grote verantwoordelijkheid bij sportorganisaties. Bijvoorbeeld om te zorgen voor een goede opleiding van al die sporters in spe. En ook, in het geval ze de top niet halen, voor goede begeleiding bij gesneuvelde toekomstdromen.

Ten tweede maakt het onderzoek inzichtelijk dat jongens en meisjes heel anders naar hun toekomst kijken. De OECD ondervroeg namelijk ook de meiden en in hun top 5 van favoriete beroepen komt ‘sporter’ helemaal niet voor. Voor de zekerheid vroeg ik mijn 16-jarige dochter of zij wellicht wél voelt voor een sportcarrière, maar haar geschrokken blik bevestigde de onderzoeksresultaten. Ondanks het succes van vrouwelijke atleten hebben meisjes weinig vertrouwen in een toekomst als sporter. Hun wantrouwen zegt veel over de wereld waarin zij leven. Die wereld verdient bijstelling en daar ligt een schone taak voor de bonden, trainers en bestuurders.

Tot slot concludeer ik uit het OECD-onderzoek dat niet alle jongeren met topsportambities daadwerkelijk hun geld kunnen gaan verdienen als sporter. Daarvoor zijn ze simpelweg met te veel. De afvallers vormen een potentieel zeer interessante groep voor de sport, als we hen kunnen overtuigen dat er nog zoveel andere mooie banen zijn in en rondom de sport. Zoals trainer, buurtsportcoach of gymleraar, zowel voor jongens als voor meisjes. Mocht dat niet baten, dan kunnen die pubers alsnog YouTuber worden.

Deze column verscheen in Sport & Strategie, editie maart 2020.