Rottig bestuur

Posted on 28 oktober 2020

0


Misschien bent u helemaal klaar met alle discussies over het grensoverschrijdende gedrag van turncoaches. Dat zou zomaar kunnen, want de afgelopen maanden stonden de media vol van beschrijvingen van wantoestanden en met analyses over hoe het toch zo ver heeft kunnen komen. Alles lijkt wel zo’n beetje gezegd. Toch ontbreekt er iets wezenlijks in het debat.

Sinds de ontboezemingen van Gerrit Beltman over het fysiek en geestelijk mishandelen van zijn pupillen en de verklaringen van veel oud-turnsters over de ellende die zij hebben meegemaakt, proberen deskundigen een verklaring te vinden. Een enkeling wijt het grensoverschrijdende gedrag aan de coaches zelf, als zijnde ‘rotte appels’ in een verder mooie sport. De meeste experts spreken eerder van een ‘verrotte cultuur’. Daarbij verwijzen zij naar de spijkerharde Spartaanse aanpak in het topturnen, naar voorbeeld van succesvolle Oostbloklanden. Of naar de prestatiegerichte samenleving, die een heldenstatus toekent aan winnaars en een enorme druk oplegt aan sporters en hun coaches. Het gevolg daarvan is dat zo’n beetje alles geoorloofd is in de strijd om medailles.

In al deze verklaringen zit zonder twijfel een grote kern van waarheid. Tegelijkertijd gaat er in mijn ogen nog te weinig aandacht uit naar de relatie tussen de misstanden en de manier waarop de sport wordt bestuurd. Dat is wel nodig, want in veel gevallen hebben bestuurders en toezichthouders in de sport nauwelijks iets te zeggen over wat er in de zaal of op het veld gebeurt. Zo ben ik als oud-toezichthouder bij een gymnastiekclub en voormalig voetbalbestuurslid altijd druk geweest met financieel toezicht, beleidsplannen en accommodatiebeheer. Maar zodra het over sporttechnische zaken ging was de code al snel: daar bemoeien wij ons als bestuur niet mee. Dat zou de betreffende trainer of coach ook niet hebben geaccepteerd, want bestuurders zonder topsportachtergrond hebben in hun ogen geen verstand van trainingsleer, topsportmentaliteit of pedagogiek. Bovendien is het bestuur erg afhankelijkheid van de trainer of coach – vaak de best betaalde kracht met veel invloed binnen en buiten de club. Mondje dicht dus.

Hoe begrijpelijk ook, het is onwenselijk én gevaarlijk om onevenredig veel macht te leggen bij de technische mensen; de coaches, trainers en technisch directeuren. Misschien hebben zij die macht niet op papier, maar in de praktijk kunnen zij vaak gelijkgestemden binnenhalen en een eigen ‘bubbel’ creëren zonder dat er fatsoenlijk toezicht plaatsvindt. Dit kan leiden tot misstanden zoals die zich voordeden in de turnsport, maar biedt bijvoorbeeld ook de mogelijkheid aan allerlei louche figuren om zich zonder tussenkomst van het bestuur te verbinden aan een club, waardoor criminele infiltratie makkelijker wordt.

Kortom, het vraagstuk in de turnsport gaat niet alleen over rotte appels en verrotte cultuur, maar ook over rottig sportbestuur. En rottige sportbesturen komen niet alleen voor in het turnen, maar in alle sporten. Daarom dient machtsconcentratie rondom de technische staf een belangrijk aandachtspunt te zijn in zowel de discussies over het turnen als over good governance. Anders zijn we er nog lang niet klaar mee.

Deze column verschijnt in Sport & Strategie, editie oktober 2020.