De waardevolle ontmoeting in de sport. Een essay

Posted on 17 december 2020

0


Het is niet eenvoudig lichtpuntjes te vinden in het jaar 2020. Zeker niet op een regenachtige dinsdagochtend in de kantine van korfbalvereniging HKV/ Ons Eibernest in Den Haag. Er zijn geen wedstrijden om op terug te kijken of om naar uit te zien. Ik probeer mijn les voor de Haagse Hogeschool te starten, maar op mijn telefoon komt het ene na het andere appje binnen – van studenten die zich afmelden vanwege een snotneus of corona-positieven om hen heen. Dat betekent dat ik moet improviseren om deze locatie toch goed te benutten, want het doel van de les is om de studenten kennis te laten maken met de praktijk van deze club en de kwetsbare wijk er om heen.

Terwijl ik probeer sombere gedachten van me af te zetten, is er ineens toch een lichtpuntje. Een collega komt de kantine binnenstormen en doet haar verhaal: buiten heeft zich een groep van tien moeders uit de wijk verzameld die willen sporten. Een bijzondere gebeurtenis, want de dames sporten normaal niet, maar ze hebben elkaar overtuigd om toch een keer gebruik te maken van het aanbod om de sporthal te benutten. Helaas blijkt de trainster ziek. Dus vraagt mijn collega of er iemand is die een training kan verzorgen. Meteen steekt een student lichamelijke opvoeding haar vinger op. Niet veel later horen we het enthousiasme opklinken uit de sporthal. Na anderhalf uur meldt de student zich weer. Ze is uitgelaten en heeft afgesproken met de moeders in contact te blijven. Er lijkt een waardevolle ontmoeting te hebben plaatsgevonden.

Toeval

Is deze ontmoeting toevallig? Deels wel, want niemand voorzag de precieze samenloop van omstandigheden. Maar het toeval is deels ook gestuurd. De ontmoeting vindt namelijk plaats binnen het programma Haags Sportkwartier, waarin buurtbewoners, verenigingen, buurtsportcoaches, gemeente en het lectoraat Impact of Sport samenwerken in een living lab. Vanuit de locatie Eibernest experimenteren al deze betrokkenen met nieuw sportaanbod en met innovatieve vormen van samenwerking. Het doel is om meer mensen uit de wijk te laten meedoen, begrip voor elkaar te laten krijgen en zich meer thuis te laten voelen door ontmoetingen in sport.

Is deze ontmoeting dan waardevol? Leidt ze bijvoorbeeld tot meer sociale cohesie en meer betrokkenheid bij elkaar? Dat zal allemaal nog moeten blijken, maar feit is dat de moeders uit de wijk (allen met een migratie-achtergrond en moslima), mijn collega (ook moeder, niet gelovig en woonachting in het Gooi) en de student (wonend op kamers en actief in het studentenleven) elkaar in hun dagelijkse leven niet zo snel zullen treffen. En dat er nu – vanuit het plezier in sport – een band is ontstaan.

Zorgen voor de hele samenleving

Dit soort banden zijn, zeker in corona-tijd, nóg belangrijker geworden. Al in 1954 wees sociaal psycholoog Gordon Allport op het belang van contact tussen groepen die elkaar normaalgesproken niet zo snel ontmoeten. Zonder dergelijke intergroep-relaties ontstaat vervreemding. In Den Haag Zuidwest, het stadsdeel waar Eibernest zich bevindt en waar meer dan 150 nationaliteiten bij elkaar wonen, voelt maar een derde van de mensen zich thuis. Dat is een zorgelijke ontwikkeling voor de héle samenleving, want zich niet thuis voelen en vervreemding leiden tot vooroordelen, uitsluiting en polarisatie, zo toonden opvolgers van Allport aan.

In buurten met veel verscheidenheid, zoals in Den Haag Zuidwest, is het samenleven van inwoners ingewikkelder dan gemiddeld, wat de maatschappelijke betrokkenheid, participatie en onderling begrip onder druk kan zetten. Bovendien hebben de nieuwe migranten (zoals arbeidsmigranten uit het voormalige Oostblok, vluchtelingen uit Syrië en hoogopgeleide kenniswerkers uit India) veelal een tijdelijk perspectief; zij verwachten over vijf tot tien jaar niet meer in Nederland te wonen. Dit leidt volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid tot andere vormen van verbondenheid met de samenleving  – ook met sportverenigingen bijvoorbeeld – en tot nieuwe maatschappelijke uitdagingen, vooral op het gebied van sociale cohesie.

Het gemis aan intergroep relaties komt in corona-tijd sterk aan de oppervlakte. Bijvoorbeeld in heftige discussies over viruswaanzin of over black lives matters, die zich vooral in sociale media afspelen en eerder óver elkaar dan mét elkaar worden gevoerd. Als gevolg daarvan worden tegenstellingen uitvergroot en is het verlies aan sociale samenhang merkbaar. Tevens, zo constateert het RIVM in een recente studie over de corona-crisis, leidt het wegvallen van regelmatige sociale contacten tot gemis, eenzaamheid en ontregeling van dagelijkse patronen.

De beperkte toegang tot de sport speelt daar een rol in. Op de vraag van het Mulier Instituut wat leden in deze tijd het meest missen aan hun sportvereniging zijn de antwoorden: samen sporten, contacten met andere leden en het drankje na afloop in de kantine. Het is niet overdreven te stellen dat de verbindende waarde van sport wordt gemist: op en rond het veld kunnen waardevolle ontmoetingen ontstaan die er voor zorgen dat meer mensen meedoen, meer begrip krijgen voor elkaar en zich onderdeel voelen van een groep of gemeenschap.  

Alle ballen op de sport

Alle ballen op de verbindende kracht van sport, zou je zeggen. Toch is dat niet zo eenvoudig – en niet alleen omdat corona ons nu beperkt. Ten eerste verbindt sport niet iedereen. Studies wijzen uit dat mensen met een lager inkomen of opleidingsniveau, mensen met een slechtere gezondheid, en mensen met een migratieachtergrond zijn ondervertegenwoordigd in het beoefenen van sport. Dat blijkt ook in Den Haag Zuidwest, dat veel bewoners kent die aan deze omschrijving voldoen. Slechts 33% sport er wekelijks, veel minder dan het landelijk gemiddelde. Vandaar mijn enthousiasme als tien niet-sporters zich melden bij Eibernest en vervolgens veel plezier beleven aan het bewegen en de onderlinge contacten.

Ten tweede verbindt sport niet automatisch. Niet iedere ontmoeting is waardevol en draagt bij aan sociale samenhang. De anekdotes waarin tegenstellingen juist worden vergroot zijn legio. Denk bijvoorbeeld aan harde confrontaties op het veld die vooroordelen over ‘asociale allochtonen’ en ‘botte boeren’ lijken te bevestigen. Ontmoetingen tussen andersdenkenden of mensen met andere culturele, etnische of religieuze achtergrond zijn vaak moeizaam en kunnen schuren. Dat is niet erg, maar vraagt wel wat van de deelnemers en aanbieders van sport. Zo was een van de studenten in mijn klas verbolgen dat de sportende moeders vanwege religieuze opvattingen alleen een vrouwelijke student als trainer wilden. Een gesprek daarover was verhelderend. Niet dat de moeders na het gesprek ineens wel een mannelijke trainer accepteerden of dat de student instemde met hun opvattingen, maar er ontstond wel meer begrip voor elkaar. Het wezen van de waardevolle ontmoeting is dan ook niet dat de ene groep zich volledig aanpast aan de ander, wel dat er meer openheid en culturele sensitiviteit ontstaat.

Ten derde is het voor veel sportverenigingen moeilijk om de deur wagenwijd open te zetten. Diversiteit klinkt mooi, maar veel clubs ontlenen hun kracht aan een hechte, vaak homogene groep leden. Het kost simpelweg moeite om je open te stellen en niet alle vrijwilligers en professionals in de sport zijn toegerust om om te gaan met diversiteit. Ook ervaren zij dat niet alle opvattingen te verenigen zijn. Zo is het combineren van een traditionele derde helft (bier en bitterballen!) met een verbod  op alcohol en varkensvlees simpelweg onmogelijk.

De kunst van innoveren

Maar ook al is er vaak nog sprake van ‘soort zoekt soort’ in de sport, toch komen verschillende groepen elkaar er tegen: bij de ontvangst in de bestuurskamer, in de kantine en tijdens het sporten op het veld. Het is de kunst om deze ontmoetingen te laten ontstaan én waardevol te maken. Daartoe is innovatie nodig, op een manier die passend is bij de huidige tijd en bewoners en die tegelijkertijd recht doet aan de bestaande kracht en de identiteit van de sport.

Vaak beschikken sportorganisaties, professionals en vrijwilligers al over veel ‘praktische wijsheid’. Juist in verenigingen, wijken en dorpen waar het water aan de lippen staat ontstaan nieuwe initiatieven, nieuw sportaanbod en nieuwe manieren van organiseren. Deze organisatorische en sociale innovaties gebruiken en stimuleren de gemeente Den Haag en de Haagse Hogeschool in het genoemde living lab bij Eibernest, door ‘verbinders’, zoals actieve buurtbewoners, betrokken sportbestuurders en professionele buurtsportcoaches, zo veel mogelijk in positie te brengen. Ook leiden we er onze studenten op, de professionals van de nabije toekomst. Op deze manier sturen we het toeval richting waardevolle ontmoetingen, zoals gebeurde bij het treffen tussen de buurtmoeders, de docent en de student.

Maar vooral leren we hoe waardevolle ontmoetingen kunnen worden gecreëerd, georganiseerd en gefaciliteerd en welke impact ze hebben. Het lectoraat Impact of Sport legt deze kennis vast. Kennis die ook relevant is voor andere wijken, steden en dorpen, zodat ook daar mét de wijk de sport en de omgeving zo kunnen worden ingericht dat wijkbewoners meer samen sporten, samen langs de lijn staan en samen een drankje drinken na afloop in de kantine – al dan niet met alcohol.

En natuurlijk, het creëren van waardevolle ontmoetingen is extra lastig in corona-tijd. Die uitdaging komt er bij, maar als het desondanks lukt, zoals op die regenachtige dinsdagochtend in sporthal Eibernest, dan is zo’n lichtpuntje extra stralend.

Dit essay verscheen in vakblad Sport & Strategie, naar aanleiding van mijn digitale intreerede als lector Impact of Sport. Het thema in bovenstaand essay besprak ik in een levendige talkshow, georganiseerd door de gemeente Den Haag en de Haagse Hogeschool. De uitzending is te terug te zien via https://www.dehaagsehogeschool.nl/onderzoek/lectoraten/details/impact-of-sport#over-het-lectoraat