Migranten in sport

Posted on 29 april 2021

0


De rapporten van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) staan niet bekend als bestsellers. Zeker niet onder bestuurders en beleidsmakers in de sport. Dat is jammer, want het recente rapport ‘Samenleven in verscheidenheid’ biedt interessante inzichten én aanknopingspunten voor de sport.

Want waar schrijft de WRR over? Het uitgangspunt is dat migratie naar ons land een structureel karakter heeft. Of je het nu leuk vindt of niet: er wonen veel migranten in Nederland en er zullen in de toekomst meer landverhuizers komen. Deze migranten komen niet langer alleen uit klassieke immigratielanden zoals Turkije, Marokko, Suriname en de Antillen, maar uit Oost-Europa, India en China – veelal als arbeidsmigrant – en landen als Syrië en Eritrea – veelal als vluchteling. Daarbij wijst de WRR er op dat veel migranten na verloop van tijd ook weer vertrekken. De WRR noemt dat ‘vlottendheid’.

Wat heeft dit alles met sport te maken? De WRR stelt dat deze nieuwe realiteit het samenleven ingewikkelder maakt, vooral in buurten, scholen en – daar komt-ie – verenigingen. De deelname van inwoners met een migratieachtergrond aan het verenigingsleven is vaak laag, ook in de sport. Ik hoor sportbestuurders regelmatig verklaren dat dit te wijten is aan de culturele achtergrond van de nieuwkomers, waarin geen traditie bestaat met het verenigingsleven en vrijwilligerswerk. De WRR weerlegt deze verklaring.  Onderzoek laat zien dat migranten zich even vaak aanmelden als lid of vrijwilliger van een vereniging als inwoners met een Nederlandse achtergrond. De lage participatie komt vooral omdat zij hun lidmaatschap sneller opzeggen.

Hoe komt dat? Ten eerste heeft dat te maken met de eerder genoemde ‘vlottendheid’. Wanneer een migrant zichzelf als passant ziet is de neiging om zich stevig te verbinden met een sportclub logischerwijs minder. Ten tweede speelt mee dat veel verenigingen niet zitten te wachten op een grote verscheidenheid onder de leden, simpelweg omdat ze er geen baat bij hebben. Want hoe diverser de leden des te minder mensen zich thuis voelen bij de club en hoe meer zij geneigd zijn de club te verlaten. Veel clubs blijven liever homogeen, met als gevolg dat migranten er een minderheid blijven en daardoor weinig binding voelen.

Wat is de oplossing? Als clubs leden met andere achtergronden willen binden zal het in elk geval belangrijk zijn elkaars achtergrond te leren kennen en erkennen, bijvoorbeeld door een gevarieerd aanbod in de kantine en tolerantie voor elkaars feestdagen. Clubs die daarvoor kiezen zullen wel vaker te maken krijgen met verloop onder hun leden en vrijwilligers. De WRR stelt dat ondersteuning door betaalde krachten, zoals een verenigingsmanager, belangrijk is om de continuïteit van de club te bewaken. Tegelijkertijd zullen veel verenigingen dit niet kunnen of willen. Deze verenigingen zorgen niet zo zeer voor binding tussen groepen, maar vooral binnen groepen. Ook belangrijk, lijkt mij zo. Bovendien komen de verschillende groepen elkaar tegen in competitieverband en zijn er veel andere mogelijkheden om elkaar in sportverband te ontmoeten, bijvoorbeeld op de sportschool of tijdens bootcamps.

Een sluitend antwoord heeft de WRR niet, maar ‘Samenleven in verscheidenheid’ zet aan tot nadenken over de mogelijkheden van het opnemen van migranten binnen de sport. Een bestseller hoeft het niet te worden, meer aandacht verdient het zeker.

Deze column verscheen in vakblad Sport & Strategie, editie april/ mei 2021